HomeVisie en begeleidingOpleidingeneShopFoto gallerijArtikelenDeutschEnglisch
Piet Schipper, Sportbegeleiding
Begeleiding - Training - Organisatie
IJs in Haarlem
Weissensee - Voorbereidingen
Energetisch Stretchen
EĆ©nmaal 125% inzet en verloren voor tosport?
Algemeen
Schaatsen
Basketbal
Voeding
Training
Basketbal

 

Inleiding. De vraag wordt gesteld of dat de lichamelijke conditie van basketballers wordt bepaald door op de trainingen eenzijdig het accent te leggen op specifieke training. Vooral via zaaltrainingen etc. Het antwoord is nee!

Voor een basketballer zijn zaken als techniek, startsnelheid, sprintsnelheid, afzetkracht, beweeglijkheid en natuurlijk ook het uithoudingsvermogen van belang. Ook is het oefenen van wedstrijdstrategieën van belang. Met andere woorden het conditionele aspect van basketbal training moet verwerkt worden in aan basketbal gerelateerde specifieke oefenstof.

Indeling van de leerstof. Onder lichamelijke of fysieke conditie van een basketballer wordt verstaan het geheel van de lichamelijke eigenschappen als voorwaarde om optimaal te kunnen presteren. Het prestatieniveau wordt grotendeels bepaald door aanleg (lengte, spierkracht, balgevoel, spelinzicht e.d.) en het gevolgde trainings- en wedstrijdprogramma. Een beperkt aantal lichaamsfuncties hoeft niet getraind te worden.  Als voorbeeld zijn te noemen: horen, zien, tast, transpireren.  Wel belangrijk is het om ademhaling en het transpireren bij koude te trainen. Tijdens basketbaloefeningen worden de orgaansystemen: het spierstelsel en het zenuwstelsel getraind. Er vinden trainingsaanpassing plaats in de bloedsomloop, ademhaling, hormoonstelsel en andere systemen plaats.

Skeletspieren. Er zijn drie soorten spieren. Dwarsgestreepte skeletspieren, gladde spieren en de hartspier. De dwarsgestreepte (skelet)spieren worden ook wel willekeurige spieren genoemd, omdat je deze zelf kunt activeren, bijvoorbeeld de biceps. Gladde spieren zijn onwillekeurige spieren die je niet bewust kunt activeren.  Denk hierbij bijvoorbeeld aan de spiertjes van de bloedvaten die van de darmen en die in de iris van het oog. Het hart is een dwarsgestreepte spier, maar is onwillekeurig en vandaar dat deze apart wordt genoemd. Bij trainen (met lichamelijke activiteiten) denken wij in eerste instantie aan het spierstelsel, omdat fysiologisch gezien bewegen mogelijk wordt gemaakt door het spierstelsel. Het spierstelsel is onlosmakelijk verbonden met het centrale zenuwstelsel (CZS). De functies van het spierstelsel zijn:

Het handhaven van de samenhang tussen de onderdelen van het
skelet

Het uitvoeren van bewegingen

Warmtebron

Bescherming van de vaatzenuwen en ingewanden

De skeletspier bestaat uit langgerekte veel kernige cellen: spiervezels. Een spiervezel kan verschillende lengtes hebben, variërend van enige millimeters tot 5 à 10 cm. De totale maximale kracht die een spier kan leveren is afhankelijk van het totaal aantal spiervezels. Elke spiervezel bevat enkele honderden tot duizenden intracellulaire (dus in de cel/vezel zelf) vezeltjes: myofibrillen. Deze myofibrillen vormen het werkelijke 'contractiele apparaat' (het gedeelte dat samentrekt) van de skeletspiervezel. Het zijn uiterst dunne draadjes die een zelfde lengte hebben als de gehele spiervezel. Als je zo 'n myofibril bekijkt, zie je afwisselend donkere en lichtere delen. De donkere banden bevatten voornamelijk myosine (A-band) en de lichtere banden vooral actine (I-band). Myosine eiwitten aan elkaar vormen de myofilamenten. De actine eiwitten aan elkaar vormen de actinefilamenten. Het samentrekken van een spier gebeurt door toedienen van (elektrische) prikkels uit het zenuwstelsel (contraheren). Elektrisch stroompje dat zich zeer snel langs het spiervezelmembraan verplaatst.

Het elektrische stroompje zorgt voor een prikkelstof (calciumionen) in de nabijheid van het overlappend deel van de actine- en myosinefilamenten. De prikkelstof activeert de verbanden tussen actine en myosine zodat er een samentrekkende kracht wordt uitgeoefend. De prikkelstof wordt hier inactief en teruggebracht naar de voorraadplaatsen. Erg belangrijk want anders blijft de spier in een spanningstoestand. De prikkeling van een spiervezel gebeurt door 1 zenuwvezeluitloper. 1 Vezelzenuw heeft meerdere (4 – 500) uitlopers zodat prikkeling vanuit 1 zenuwvezel leidt tot samentrekking van alle verbonden spiervezels (motorische unit). De hoeveelheid motorische eenheden van een spier zijn afhankelijk van de spierfunctie. Nauwkeurig bestuurde spieren (vingers, lippen, tong) beschikken over veel motorische eenheden (dus veel zenuwvezels die ieder weinig uitlopers hebben). Krachtige spieren (bovenbeen- en bilspieren) benutten weinig motorische eenheden. Er zijn verschillende contractievormen mogelijk:

Isotonische contracties. Hierbij blijft gedurende de gehele contractie de spanning (tonus) in de spier gelijk. Iso is gelijk aan de spanning die bij het begin van de contractie in de spier bestond. Alleen de lengte van de spier verandert. (Vb. Buiging in elleboogsgewricht).

Isometrische contracties. Hierbij blijft gedurende de hele contractie de lengte van de spier gelijk aan de lengte bij het begin van de contractie. De spier is dus aan beide uiteinden gefixeerd. Alleen de spanning in de spier verandert. (Vb. Optillen te zwaar voorwerp of drukken tegen een gefixeerd voorwerp).

Auxotonische contracties. Hierbij verkort de spier zich, terwijl de spanning toeneemt. (Vb. Wanneer men een veer uitrekt).

Je kunt de contractie ook indelen naar bewegingsrichting i.p.v. de bewegingsvorm:

Concentrische beweging. Er treedt een verkorting van de spier op.

Excentrische beweging. De spier spant zich aan, maar wordt langer

(Vb. Afdalen van een helling, iets neerzetten).

Verder is belangrijk om te weten dat spieren vaak samenwerken. Je kunt spieren dan classificeren op het al dan niet meewerken van een bepaalde beweging.

A.     Agonist. De spier die de belangrijkste/meeste arbeid verricht voor een beweging

B.     Antagonisten. Spieren met tegengestelde werking

 

C.    Synergisten. Spieren met gelijkgerichte werking

Wanneer een Agonist en een antagonist gelijktijdig en met dezelfde kracht contraheren geven ze een stabilisatie in het gewricht. Ze zijn in dit voorbeeld dan Synergisten.

Energie

Om de actine- en myosinefilamenten met elkaar te laten binden of de binding te laten verbreken is energie nodig. Deze energie wordt gehaald uit ADP+P en ATP.
ATP is de belangrijkste energieleverancier van ons lichaam en staat voor Adenosine Tri Fosfaat. Een molecuul bestaande uit adenosine en drie fosfaatgroepen (P). ATP is betrokken bij alle functies in het lichaam die energie vragen. Er wordt dan ook enorm veel ATP gevormd en afgebroken. Bij de afbraak van ATP wordt ADP (Adenosine Di (2) Fosfaat) gevormd en een losse fosfaat groep P. (ATP -> ADP+P).

Bij een piekarbeid is de arbeidsstofwisseling 15-25 kcal/min. In de spier is de voorraad ATP verrassend genoeg beperkt: 4-6 seconden arbeid (1,2 kcal, zo 'n 5 contracties) op zijn hoogst, net genoeg om je op gang te helpen.
Als de beweging voortgezet wordt, dan moet er meer ATP gevormd worden en dan kan op 3 manieren:

Directe fosforilatie

Anaërobe mechanisme

Aërobe mechanisme

Door een reaktie van creatinefosfaat en ADP

<!--[if !supportEmptyParas]--> <!--[endif]-->

(CP+ADP -> creatinine + ATP)

Glucose

<!--[if !supportEmptyParas]--> <!--[endif]-->

Van opgeslagen glycogeen via anaërobe glycolyse (verbranding zonder zuurstof)

<!--[if !supportEmptyParas]--> <!--[endif]-->

glucose, pyrodruivenzuur, vrije vetzuren, minozuren

<!--[if !supportEmptyParas]--> <!--[endif]-->

Via aërobe weg (verbranding met zuurstof)

Zuurstofgebruik: geen
Producten: 1 ATP per CP, creatinine
<!--[if !supportLineBreakNewLine]-->
<!--[endif]-->

Totale duur energievoorziening: 15 sec

Zuurstofgebruik: geen
Producten: 2 ATP per glucose, lactaat
<!--[if !supportLineBreakNewLine]-->
<!--[endif]-->

Totale duur energievoorziening: 30-40 sec

Zuurstofgebruik: nodig
Producten: 36 ATP per glucose, CO2, H2O
<!--[if !supportLineBreakNewLine]-->
<!--[endif]-->

Totale duur energievoorziening: Uren

Als we spreken van anaërobe energievoorziening, dan hebben wij het over spierarbeid met energie uit de voorraad ATP uit de spier + ATP uit CP+ADP + ATP uit de glycolyse. Bij de spierarbeid van de eerste 20 seconden is de energievoorziening snel, maar de voorraad is beperkt. De energie per tijdseenheid is erg groot. Na deze 20 seconden kan de spier alleen nog maar anaëroob energie krijgen uit de Glycolyse. Deze komt wat traag op gang, maar de voorraad is groter (niet onbeperkt). Als we spreken van aërobe energievoorziening, dan wordt er dus zuurstof gebruikt bij de vorming van ATP.

De verbranding van vetten en aminozuren gebeurt op dezelfde manier. Echter, de hoeveelheid gevormde ATP per molecuul vet of aminozuur verschilt natuurlijk van die van glucose. Het zijn immers andere stoffen

Bij aërobe energielevering kennen wij de steady-state. Deze term wordt veelgebruikt in de (duur)sportwereld. De steady-state houdt in dat:

De zuurstofopname de zuurstofbehoefte dekt

De hartfrequentie (Hf) een constante waarde heeft bereikt

Het hart minuut volume (HMV) een constante waarde heeft bereikt 

De longventilatie een constante waarde heeft bereikt

Melkzuur van de anaërobe beginfase wordt omgevormd aan het einde van de arbeid     

 

De indeling van anaëroob en aëroob in fasen is niet zo simpel als gesteld. De fasen lopen in elkaar over en volgen elkaar dus niet abrupt op.

 

Begrippen op een rij:

Glycolyse = Glucose wordt door ADP+P omgezet in lactaat (melkzuur) en ATP.
Glucose = Een van de natuurlijke suikers (druivensuiker).
Glycogeen = Een grote molecuul van aan elkaar geschakelde glucosemoleculen.
Lactaat = Ook wel melkzuur. Afvalproduct van anaërobe verbranding van glucose. Kan weer omgezet worden in glucose.
Zuurstofschuld geeft tijdelijk melkzuurvorming

Zenuwstelsel.

Het zenuwstelsel is opgebouwd uit een netwerk van zenuwstellen, neuronen genoemd. De zenuwcellen kennen een grote diversiteit aan vormen. Zo zijn er grote piramidevormige cellen in de hersenschors met uitlopers tot onder aan het ruggenmerg. Deze cellen dienen om motorische eenheden te activeren. Kleine bolvormige schakelcellen die contacten leggen tussen 2 of meer andere zenuwcellen.  Zenuwcellen die via een inloper geprikkeld worden door zintuigcellen en signalen doorgeven aan hogere hersencellen. Er zijn 3 veelvoorkomende celonderdelen t.w.;

Dendrieten, waar andere zenuwcellen hun prikkel overdragen

Het cellichaam waar de prikkels uit de dendrieten samenkomen

Neuriten met zijn verdere aftakkingen die de prikkel geleidt naar volgende zenuwcellen of naar spiervezels.

Het totale zenuwstelsel is onder te verdelen in;

1. Het deel gelegen binnen de schedel en het wervelkanaal (centrale deel) te onderscheiden in grote- en kleine hersenen, de hersenstam en het ruggenmerg.

2.   De zenuwen die daarbuiten liggen en de verbinding vormen tussen het centrale deel en alle organen. (perifere deel).

Bij een doorsnede van het centrale zenuwstelsel komen alleen de uitlopers van zenuwcellen (dendrieten en/of neuriten) in de witte stof voor. In de grijze stof  liggen ook veel cellichamen van neuronen.

De functie van de zenuwcel (neuron) is het ontvangen van prikkels (stroompje) van andere zenuwcellen en het doorgeven van prikkels aan volgende zenuwcellen of spiervezels. Dit stroompje wordt mogelijk gemaakt door een verdeling van ionen tussen het celplasma en het weefselvocht aan de buitenkant van de cellen. Aan het einde van de uitlopers wordt een prikkelstof afgegeven die de prikkels weer doorgeeft aan de volgende zenuwvezel. Voor het goed besturen van lichaam moet het zenuwstelsel in staat zijn om de eindorganen te stimuleren en te remmen. Dit gebeurt door het afgeven van verschillende prikkelstoffen. Dit gebeurt ook binnen het zenuwstelsel. Zo ontvangt het motorische neuron in de voorhoorn van het ruggenmerg impulsen van duizenden andere neutronen. Waarvan een deel stimulerende en een ander deel remmend werkt. Overheersen de remmende impulsen, dan doet het motorische neuron niets. Slaat de balans de andere kant uit, dan worden 1 of meerdere prikkels opgewekt die op hun beurt de verbonden spierweefsels aanzetten tot samenwerking. Op deze manier is het zenuwstelsel in staat om nauwkeurig de samentrekking van spieren te regelen. Bij kracht en snelheid van een spiersamentrekking zijn een groot aantal gebieden (kernen) van het zenuwstelsel betrokken.

1. Rechtstreeks contact tussen motorische eenheid en een bepaalde cel gelegen in de schors van de grote hersenen zorgt voor de prikkeling van alle spiervezels die behoren tot de desbetreffende motorische voorhoorncel in het ruggenmerg. We spreken hier van een vast patroon in de koppeling van bepaalde hersencellen met het ruggenmerg en vandaar met de spieren. Voor een bepaalde beweging moeten dus de juiste piramidevormige cellen worden geprikkeld. Activatie van de juiste piramidevormige cellen gebeurt door het gebied van de hersenschors die aan de voorzijde van de zone met piramidevormige cellen gelegen is. In dit gebied liggen de al beheerste bewegingen. Nieuwe bewegingen, b.v. basketballtechnieken, moeten nog geprogrammeerd worden. We voelen de uitvoering van een beweging, contact met de bal, grond, tegenstander maar ook de gewrichten, stand en bewegingssnelheid.

2. We beschikken over een systeem dat de beweging dat de afstemming van de deelbeweging van het lichaam steeds bewaakt. Het coördineren van bewegingen. De kleine hersenen spelen hierbij een belangrijke rol. De kleine hersenen ontvangen informatie vanuit de grote hersenen over welke beweging er uitgevoerd moet gaan worden.  Informatie vooral uit het lichaam van met name gewrichten en spieren en uit het evenwichtsorgaan. Deze informatie wordt vergeleken om indien er iets mis gaat snel te kunnen te kunnen beschikken over een zenuwverbinding met de spieren.

3. Voorts beschikken we over een circuit van ‘lagere’ hersencentra van waaruit automatische bewegingen worden bestuurd. (lopen b.v.) De lagere hersencentra heeft deze functie overgenomen en beschikt ook over zenuwverbindingen met de motorische eenheden in het ruggenmerg.

Conditietraining.

Door de moderne inzichten ziet het beeld van conditietraining er anders uit dan vroeger het geval was. Elke lichaamsoefening bewerkstelligt een aanpassing van het lichaam. Wat dat betreft waren de “oude” inzichten dus niet verkeerd. Waar het echter om gaat is welke trainingsvormen het hoogste rendement opleveren toegepast op het competitieniveau en de beschikbare trainingstijd en accommodatie. De doelstelling dient te zijn om het in optimale toestand te brengen van spieren (of spiergroepen) voor functies die in de wedstrijd frequent voorkomen.  Een spiervezel past zich aan, aan de wijze waarop hij belast wordt. De contractie-eigenschappen van spiervezels wordt bepaald door de aanwezige celstructuren. Duurtraining (lage intensiteit bij een lange duur) bewerkstelligt dat spiervezel meer mitochondriën gaat maken. Dit betekent een verhoging van de energieleverende capaciteit via de verbranding van suikers en vetzuren (prestatiebepalende factor).  Duurtraining leidt ook tot aanpassingen in de hoeveelheid myoglobine, myosine- en actineketens, maar vooral ook in de capaciteit van de diverse sturingssystemen van het zenuwstelsel. Zo kan vermogen van afzetkracht ten gevolge van duurtraining achteruitgaan! De trainer dient vanuit het collectieve kenmerk van de trainingen toch oog te hebben voor de individuele specifieke zwakheden van sporters.

Algemen opmerking:

De trainer dient kijk te hebben op de fysieke mogelijkheden van de speler.

 


Home|Visie en begeleiding|Opleidingen|eShop|Foto gallerij|Artikelen|Deutsch|Englisch